Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
12 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor marktplaatsoplichting en het aannemen van een valse hoedanigheid. In cassatie werd het beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 januari 2014.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de strafduur, met vermindering van de gevangenisstraf. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste en derde middel niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was.
Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vanwege te late inzending van stukken door het hof. De Hoge Raad stelde vast dat deze termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf met tien maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor de strafduur, stelde de straf vast op negen maanden gevangenisstraf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan op 12 april 2016 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.