Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
19 april 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor het feitelijk leiding geven aan de illegale overbrenging van zuiveringsslib/bruine eimix, in strijd met artikel 10.60 lid 2 van de Wet milieubeheer en artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het hof Arnhem-Leeuwarden had het oordeel geveld waarbij het beoordelingskader werd gekozen op basis van Richtlijn 2008/98/EG, hetgeen door de verdediging werd bestreden.
De verdediging stelde dat het hof ten onrechte dit beoordelingskader hanteerde in plaats van de Verordening dierlijke bijproducten 1069/2009. De Hoge Raad oordeelde echter dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel als voorzitter, samen met raadsheren Splinter-van Kan en van Strien, in aanwezigheid van de waarnemend griffier ten Klooster.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof in de zaak over illegale overbrenging van zuiveringsslib.