Uitspraak
wonende te [woonplaats], Suriname,
gevestigd te [vestigingsplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
15 januari 2016.
Hoge Raad
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of handelen voor zichzelf of voor een nader te noemen meester van toepassing was binnen het contractenrecht. De zaak betrof een geschil tussen eiser uit Suriname en verweerster gevestigd in Nederland.
De procedure begon bij de kantonrechter te Amsterdam met vonnissen in 2011, 2012 en 2013, waarna het gerechtshof Amsterdam op 15 juli 2014 een arrest wees. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest, terwijl verweerster verwerping van het beroep vorderde en wettelijke rente over proceskosten.
De Advocaat-Generaal adviseerde verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees het beroep af, veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding en legde wettelijke rente op over deze kosten indien niet binnen veertien dagen voldaan werd. Het arrest werd uitgesproken op 15 januari 2016 door raadsheren van Buchem-Spapens, Streefkerk, Heisterkamp en de raadsheer de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.