Belanghebbende, een tandarts en mede-aandeelhouder van een BV, had financial leasecontracten afgesloten voor medische apparatuur die zij vervolgens verhuurde aan haar BV. Het geschil betrof de vraag of zij de economische eigendom van de apparatuur had en daarmee een onderneming dreef in de zin van de Wet IB 2001.
Het hof oordeelde dat belanghebbende niet de economische eigenaar was omdat de lessors een restwaarderisico droegen en de BV de werkings- en onderhoudskosten voor haar rekening nam. De Hoge Raad stelt dat het risico van waardeverandering of tenietgaan in de verhouding tussen lessor en lessee bepalend is, ongeacht of dat risico op een derde is afgewenteld.
De Hoge Raad vindt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het risico niet volledig bij belanghebbende lag en dat de koopopties en huurovereenkomst niet zonder meer uitsluiten dat belanghebbende economische eigenaar is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een volledige herbeoordeling van het subsidiaire geschilpunt.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 22 april 2016 in het openbaar uitgesproken.