In deze zaak hebben verzoekers cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin hun toelatingsverzoek tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) was afgewezen. De rechtbank Midden-Nederland had eerder eveneens het verzoek afgewezen. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad verwijst naar het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank voor het geding in feitelijke instanties. De klachten van verzoekers betroffen onder meer de beoordeling van hun goede trouw en de toepassing van de hardheidsclausule in het kader van de WSNP. De Hoge Raad stelt dat deze klachten geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand. Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Groot op 29 april 2016.