Belanghebbende en haar schoonzuster waren sinds 1996 gezamenlijk eigenaar van een hoeve die zij verpachtten aan een maatschap van hun echtgenoten. Vanaf 2001 gaf belanghebbende haar pachtopbrengsten en vergoeding voor arbeid aan als resultaat uit overige werkzaamheden, waarbij sprake was van terbeschikkingstelling van het vermogensbestanddeel. In 2010 werd de maatschap omgezet in een vennootschap onder firma (VOF), waarbij belanghebbende in 2011 toetreedt tot de VOF en haar inkomsten als winst uit onderneming opgeeft.
De Inspecteur stelde dat de terbeschikkingstelling was beëindigd, waardoor de boekwinst op de hoeve stakingswinst zou zijn en als resultaat uit overige werkzaamheden moest worden belast. De Rechtbank oordeelde echter dat de terbeschikkingstelling niet was beëindigd maar was uitgegroeid tot een onderneming, waardoor de boekwaarde kon worden voortgezet.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep van de Staatssecretaris af. De Hoge Raad overweegt dat het begrip 'werkzaamheid' in artikel 3.99 Wet IB 2001 ook het rendabel maken van vermogen door terbeschikkingstelling omvat, en dat het 'uitgroeien' van die werkzaamheid tot onderneming ook kan bestaan uit een wijziging van de context waarbij het vermogensbestanddeel onderdeel wordt van het ondernemingsvermogen. Daarmee wordt beoogd economische belemmeringen voor ondernemerschap weg te nemen.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten en bevestigt dat de boekwinst niet als stakingswinst belast mag worden, maar dat de boekwaarde van het vermogensbestanddeel kan worden voortgezet binnen de onderneming.