Belanghebbende, een besloten vennootschap, was geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 januari tot en met 31 december 2003, inclusief een beschikking inzake heffingsrente. Na een uitspraak van de Rechtbank te Breda en een hoger beroep bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingediende middelen concludeerde de Hoge Raad dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden. Dit oordeel werd genomen op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij werd vastgesteld dat de middelen geen noodzaak tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling met zich brachten.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 22 januari 2016.