Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2004 werd bevestigd. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en stelde voorwaardelijk incidenteel beroep in. Na beoordeling van de klachten in het principale beroep oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden, mede omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Omdat het principale beroep niet tot vernietiging van het hofarrest leidde, verviel het voorwaardelijk incidentele beroep op grond van artikel 8:112, lid 2, Awb. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 22 januari 2016.