Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 mei 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie van een verdachte centraal die werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal gevolgd door geweld en bedreiging met geweld tegen een politieagent. Het geschil betrof de vraag of het hof terecht had geoordeeld dat het niet relevant was wie de bestuurder van de auto was geweest, terwijl die tegen de politieauto was aangereden.
De Hoge Raad verwijst naar het oordeel van het hof dat de verdachten bewust en nauw met elkaar hadden samengewerkt en dat de verdachte de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de bestuurder tegen de politieauto zou aanrijden. Dit oordeel werd niet onbegrijpelijk geacht en gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent medeplegen.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, en de Hoge Raad volgde dit advies. Het beroep werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het middel niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noopt.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 24 mei 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest wordt bevestigd.