Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
24 mei 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak wegens doodslag. Het beroep is ingesteld door de verdachte, bijgestaan door advocaat G. Spong. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid en de aangevoerde klachten.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten onvoldoende zijn om behandeling in cassatie te rechtvaardigen. Dit komt doordat de partij die het beroep instelde klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden. In overeenstemming met artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 24 mei 2016. Het arrest is gewezen door vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, samen met raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend. Het beroep wordt formeel afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.