Uitspraak
wonende in Aruba,
gevestigd in Aruba,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.De ontvankelijkheid in cassatie
4.Beslissing
2 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal vanwege een te late betaling van het griffierecht. Eiseres had het griffierecht niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken na indiening van het verzoekschrift voldaan. Dit leidde in beginsel tot niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 282a lid 2 in verbinding met artikel 427b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Eiseres deed echter een beroep op de hardheidsclausule zoals bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv in verbinding met artikel 427b Rv. Zij stelde dat de betaling weliswaar te laat was, maar dat dit kwam door een administratieve vergissing waarbij het verkeerde betalingskenmerk was gebruikt. De betaling was abusievelijk gekoppeld aan een andere zaak en werd teruggestort zonder dat de advocaat hiervan apart werd geïnformeerd. Nadat een aanmaning was ontvangen, werd het verschuldigde bedrag alsnog correct betaald.
De Hoge Raad oordeelde dat onder deze omstandigheden toepassing van de wettelijke sanctie van niet-ontvankelijkheid zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarom werd de eiseres ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep en werd het verdere verloop van de procedure mogelijk gemaakt. De tegenpartij kreeg uitstel voor het indienen van een verweerschrift en verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: Eiseres wordt ontvankelijk verklaard in cassatie ondanks te late betaling van griffierecht vanwege toepassing van de hardheidsclausule.