Uitspraak
1.Feiten en procesverloop
3.Beslissing
2 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 2 juni 2017 uitspraak gedaan over een verzet tegen de vaststelling van het griffierecht in een cassatieprocedure. De opposant betoogde dat het griffierecht onjuist was vastgesteld omdat het financiële belang van de zaak nog niet definitief vaststond en dat het tarief voor natuurlijke personen had moeten worden toegepast.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) het griffierecht in cassatie wordt berekend aan de hand van de waarde van de vordering waarover de rechter in het geding heeft beslist, ook indien geen betaling van een geldsom is gevorderd. In het onderhavige geval betrof het een vordering met een beloop van meer dan € 6 miljoen, waarop het griffierecht gebaseerd moest worden.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat bij meerdere vorderingen het griffierecht wordt berekend over het totale beloop van de vorderingen, waarbij het tarief voor niet-natuurlijke personen geldt indien zowel natuurlijke als niet-natuurlijke personen betrokken zijn die bij dezelfde advocaat optreden. Het feit dat de procedurekosten uiteindelijk ten laste van een natuurlijke persoon komen of dat deze als bestuurder is betrokken, doet hier niet aan af.
De Hoge Raad verklaarde het verzet ongegrond en bevestigde daarmee de juiste toepassing van de Wgbz bij de vaststelling van het griffierecht in cassatieprocedures.
Uitkomst: Het verzet tegen de vaststelling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.