In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof een betalingsverplichting oplegde aan de betrokkene. Het hof had echter nagelaten het bedrag van € 2.290,60 dat reeds verbeurd was verklaard en in beslag genomen, in mindering te brengen op deze betalingsverplichting.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofvonnis voor zover het deze nalatigheid betrof en tevens tot vermindering van de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad volgde deze conclusie en besloot de zaak zelf af te doen uit hoofde van doelmatigheid.
De Hoge Raad stelde vast dat het oorspronkelijke bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel € 15.465,- bedroeg en dat na aftrek van het verbeurdverklaarde bedrag de betalingsverplichting € 13.174,40 zou moeten zijn. Vanwege de termijnoverschrijding werd deze betalingsverplichting verder verminderd tot € 12.515,68.
Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de Hoge Raad het hofvonnis op dit punt corrigeerde en de betalingsverplichting definitief vaststelde.