In deze zaak staat centraal of schade door corrosie aan een inductieoven onder de dekking van een machineschade- en bedrijfsschadeverzekering valt. De verzekeringsvoorwaarden bieden dekking voor plotselinge en onvoorziene materiële beschadiging, met een uitsluiting voor slijtage, roest, corrosie en geleidelijk bederf veroorzaakt door normaal gebruik.
De inductieoven van de verweerster vertoonde scheurvorming door scheurspanningscorrosie, veroorzaakt door een ontwerpfout. Delta Lloyd stelde dat de schade niet gedekt is omdat het een geleidelijk proces betreft en corrosie is uitgesloten volgens de polis.
Het hof Amsterdam had geoordeeld dat de term "plotseling en onvoorzien" niet als afzonderlijke voorwaarde moet worden gezien en dat corrosie door een ontwerpfout wel onder de dekking valt. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof ten onrechte de zelfstandige betekenis van "plotseling en onvoorzien" heeft genegeerd en vernietigde het arrest.
De zaak is verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling. Het voorwaardelijk incidentele beroep van de verweerster werd verworpen. De Hoge Raad veroordeelde de verweerster in de kosten van het cassatiegeding.