Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
9 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel. De Hoge Raad verwijst naar de beschikking van de rechtbank van 23 november 2016 voor het geding in feitelijke instantie.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker wegens het ontbreken van een handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad onder het verzoekschrift. Verzoeker diende een brief in met een verzoek om uitstel, maar dit verzoek werd door de Hoge Raad afgewezen.
De brief die op 21 februari 2017 bij de griffie van de Hoge Raad binnenkwam, voldeed niet aan artikel 426a lid 1 Rv omdat deze niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Hoewel herstel mogelijk was door binnen twee weken een ondertekende brief in te dienen, maakte verzoeker hier geen gebruik van. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van een advocaatsondertekening.