Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
13 juni 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het onthouden van de nodige verzorging aan zijn hond, door het dier urenlang zonder drinkwater aan een paal bij een supermarkt achter te laten. De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld op grond van artikel 37 van Pro de oude Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
De verdachte stelde in cassatie onder meer beroep te doen op psychische overmacht, maar de Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad gaf tevens een overzicht van de wetsgeschiedenis van artikel 37 van Pro de oude Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de huidige wetgeving, en verwees naar samenhang met een andere zaak (16/01010).
De Hoge Raad vond geen aanleiding om de zaak nader te motiveren, omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling wegens het onthouden van noodzakelijke verzorging aan zijn hond blijft gehandhaafd.