Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
20 juni 2017.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 oktober 2015, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het geschil betrof de toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Strafvordering in relatie tot een falende klacht over de afwijzing van een getuigenverzoek.
De advocaat van de betrokkene diende een middel van cassatie in, dat door de Advocaat-Generaal werd bestreden. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die relevant zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president van de Hoge Raad, A.J.A. van Dorst, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink op 20 juni 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.