Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beslissing
20 juni 2017.
Hoge Raad
De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen een verstekarrest van het Gerechtshof Den Haag. Eerder had de Hoge Raad een klacht over het aanwezigheidsrecht verworpen en de Advocaat-Generaal de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de overige middelen.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het hoger beroep te laat is ingesteld, waardoor het niet-ontvankelijk is verklaard door het hof. De ingebrachte middelen leiden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Op grond van artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering behoeft de Hoge Raad geen nadere motivering te geven. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens te late indiening en geen relevante rechtsvragen.