Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond een geldbedrag van €21.650,- centraal dat op 19 augustus 2014 in beslag was genomen bij een medebestuurder van een horecabedrijf. De beslagene werd verdacht van verduistering van subsidiegelden en valsheid in geschrifte. De klaagster stelde dat het geldbedrag aan haar toebehoorde, omdat het omzet van haar horecabedrijf betrof.
De rechtbank oordeelde dat de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag kon worden aangemerkt, maar dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzette omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat het bedrag verbeurd zou worden verklaard. De Hoge Raad stelde echter vast dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende had gemotiveerd in het licht van de wettelijke eisen voor verbeurdverklaring.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling van het klaagschrift. De Hoge Raad benadrukte dat bij beslag op grond van artikel 94 Sv Pro moet worden getoetst of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en of het belang van strafvordering teruggave tegenhoudt, waarbij een voldoende gemotiveerd oordeel vereist is.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbeoordeling van het klaagschrift.