AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een informatiebeschikking voor de jaren 2007 tot en met 2011. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Uit de stukken bleek dat het beroepschrift pas op 8 december 2016 bij de Hoge Raad was ingediend, terwijl de termijn volgens artikel 6:7 AwbPro zes weken bedroeg en op 6 december 2016 afliep.
De Hoge Raad gaf belanghebbende de mogelijkheid om aan te tonen dat het beroepschrift tijdig was verzonden of een geldige reden voor de overschrijding te geven. De aangevoerde argumenten waren onvoldoende om het tijdig indienen aannemelijk te maken. Ook was er geen aanwijzing dat de uitspraak van het hof later dan 25 oktober 2016 was verzonden.
Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren op 23 juni 2017.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Uitspraak
23 juni 2017
Nr. 16/05944
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X]te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 25 oktober 2016, nr. 15/01455 op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 14/8043) betreffende een ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2007 tot en met 2011 gegeven informatiebeschikking.
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Blijkens een door de griffier van het Hof op de uitspraak van het Hof gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen verzonden op 25 oktober 2016.
Blijkens een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening is dit beroepschrift op 8 december 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.
Het beroepschrift in cassatie is derhalve niet ontvangen binnen de in artikel 6:7 AwbPro gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 6 december 2016.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 8 februari 2017 in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, dan wel mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Met hetgeen belanghebbende in haar brief van 2 maart 2017 aanvoert, is niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Het aangevoerde vormt voorts geen grond voor het oordeel dat de uitspraak van het Hof op een latere datum dan 25 oktober 2016 is verzonden of dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Gelet op het hiervoor overwogene moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.