ECLI:NL:HR:2017:1148

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2017
Publicatiedatum
22 juni 2017
Zaaknummer
16/05079
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:164 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding en benadeling van de gemeenschap

In deze zaak staat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding centraal, waarbij de man beroep in cassatie instelde tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag. De procedure begon bij de rechtbank Den Haag met meerdere beschikkingen tussen 2014 en 2015 en vervolgde bij het hof met beschikkingen in 2015 en 2016. De man betoogde dat er sprake was van benadeling van de gemeenschap in de zin van artikel 1:164 BW Pro.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad heeft het beroep van de man verworpen en daarmee de beschikking van het hof bevestigd. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro en artikel 1:164 BW Pro in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het hof bevestigd.

Uitspraak

23 juni 2017
Eerste Kamer
16/05079
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak C/09/438908 en C/09/450560 van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2014, 24 april 2014, 8 mei 2014, 17 juli 2014, 7 april 2015, 14 augustus 2015;
b. de beschikkingen in de zaak 200.178.509/01 en 200.178.511/01 van het gerechtshof Den Haag van 16 december 2015 en 13 juli 2016, verbeterd bij beschikking van 12 oktober 2016.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van 13 juli 2016, verbeterd bij beschikking van 12 oktober 2016 van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de man heeft bij brief van 28 april 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
23 juni 2017.