Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak staat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding centraal, waarbij de man beroep in cassatie instelde tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag. De procedure begon bij de rechtbank Den Haag met meerdere beschikkingen tussen 2014 en 2015 en vervolgde bij het hof met beschikkingen in 2015 en 2016. De man betoogde dat er sprake was van benadeling van de gemeenschap in de zin van artikel 1:164 BW Pro.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad heeft het beroep van de man verworpen en daarmee de beschikking van het hof bevestigd. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro en artikel 1:164 BW Pro in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het hof bevestigd.