De zaak betreft een verdachte die medeplichtigheid werd verweten aan afpersing waarbij medeverdachten met een vuurwapen een partij cocaïne ter waarde van tienduizenden euro's afhandig maakten. De verdachte had het plan om de cocaïne met vals geld te bemachtigen en leverde hiertoe valse bankbiljetten en logistieke ondersteuning.
Het hof stelde vast dat het opzet van de verdachte gericht was op het verkrijgen van cocaïne met vals geld, maar dat de medeverdachten uiteindelijk geweld gebruikten om de cocaïne af te pakken. Het hof oordeelde dat het misdrijf waarop het opzet van de verdachte was gericht voldoende verband hield met de afpersing, waardoor medeplichtigheid kon worden bewezen.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor medeplichtigheid en het vereiste verband tussen het opzet van de medeplichtige en het gronddelict. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het opzet van de verdachte, gericht op het verkrijgen van cocaïne met vals geld, voldoende verband houdt met de afpersing door geweld.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring en kwalificatie van medeplichtigheid betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. De rest van het beroep wordt verworpen.