Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
27 juni 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het middel in cassatie stelde dat het bewijs had moeten worden uitgesloten op basis van artikel 359a Sv, dat betrekking heeft op vormverzuimen en bewijsuitsluiting.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel geen feitelijke grondslag bevatte. In de feitelijke aanleg was niet duidelijk en gemotiveerd beredeneerd waarom het bewijs zou moeten worden uitgesloten, mede gelet op de factoren genoemd in artikel 359a, tweede lid, Sv.
Daarom kon het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad besloot het beroep te verwerpen zonder nadere motivering, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Splinter-van Kan en Buruma, en uitgesproken op 27 juni 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen wegens ontbreken van feitelijke grondslag voor bewijsuitsluiting.