Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over het besturen van een motorrijtuig met een ongeldig verklaard rijbewijs. Het hof had bij de strafmotivering rekening gehouden met eerdere veroordelingen van verdachte, waaronder voor rijden onder invloed en het besturen van een motorrijtuig met een geschorst rijbewijs.
De Hoge Raad oordeelt dat bepalend is dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, ongeacht de precieze aard van die feiten. Daarbij wijst de Hoge Raad op een kennelijke misslag in de motivering van het hof, waarbij woorden over een eerdere overtreding van artikel 9, lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 onterecht zijn opgenomen.
Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het middel geen rechtsvragen oproept die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigt hiermee de strafmotivering van het hof en de toepassing van art. 81, eerste lid, RO.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 20 juni 2017, waarbij de vice-president als voorzitter en twee raadsheren het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafmotivering van het hof.