ECLI:NL:HR:2017:1181

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2017
Publicatiedatum
29 juni 2017
Zaaknummer
17/02255
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken nieuwe feiten

De Hoge Raad behandelde op 30 juni 2017 het verzoek tot herziening van een eerder arrest van 14 april 2017. Het verzoek was ingediend door belanghebbende en betrof een zaak binnen het bestuursrecht en belastingrecht. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek en concludeerde dat het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden bevatte zoals vereist volgens artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die herziening zouden kunnen rechtvaardigen, oordeelde de Hoge Raad dat het verzoek niet tot cassatie kan leiden. Op advies van de Procureur-Generaal werd het verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, samen met raadsheren P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de regels omtrent herziening en benadrukt het belang van het aanvoeren van nieuwe feiten of omstandigheden voor een ontvankelijk verzoek.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

30 juni 2017
Nr. 17/02255
Arrest
gewezen op het verzoek van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 14 april 2017, nr. 16/03526, ECLI:NL:HR:2017:682.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van voormeld arrest en derhalve niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Awb behelst.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur‑Generaal – het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.