ECLI:NL:HR:2017:1183

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2017
Publicatiedatum
29 juni 2017
Zaaknummer
16/01570
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 41 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatie over executie dwangsommen en verschaffing inlichtingen belastingplichtige

In deze zaak stond de executie van dwangsommen centraal, die waren opgelegd ingevolge een eerdere uitspraak van de Hoge Raad uit 2013. De belastingplichtige, eiser in cassatie, was veroordeeld tot het verschaffen van bepaalde inlichtingen aan de Belastingdienst. De wijze waarop deze inlichtingen moesten worden verstrekt, vormde het geschil.

De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag en vervolgens door het gerechtshof Den Haag. Tegen het arrest van het hof stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Staat der Nederlanden verzocht tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de wijze van executie van dwangsommen en de verplichting van de belastingplichtige om op de voorgeschreven wijze inlichtingen te verschaffen aan de Belastingdienst.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

30 juni 2017
Eerste Kamer
16/01570
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. A.J.F. Gonesh en thans mr. J.H. van Gelderen,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),
zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/09/482386/KG ZA 15-157 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 9 april 2015;
b. het arrest in de zaak 200.170.127/01 van het gerechtshof Den Haag van 26 januari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Staat mede door mr. C.M. Bergman
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
30 juni 2017.