Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te ’s-Gravenhage,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
30 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de executie van dwangsommen centraal, die waren opgelegd ingevolge een eerdere uitspraak van de Hoge Raad uit 2013. De belastingplichtige, eiser in cassatie, was veroordeeld tot het verschaffen van bepaalde inlichtingen aan de Belastingdienst. De wijze waarop deze inlichtingen moesten worden verstrekt, vormde het geschil.
De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag en vervolgens door het gerechtshof Den Haag. Tegen het arrest van het hof stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Staat der Nederlanden verzocht tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de wijze van executie van dwangsommen en de verplichting van de belastingplichtige om op de voorgeschreven wijze inlichtingen te verschaffen aan de Belastingdienst.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.