ECLI:NL:HR:2017:1192

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2017
Publicatiedatum
29 juni 2017
Zaaknummer
17/00930
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof. Na ontvangst van de eerste nota griffierecht verzocht belanghebbende om uitstel van betaling, maar dit werd door de griffier van de Hoge Raad geweigerd. Vervolgens ontving belanghebbende een herinneringsbrief en een aangetekende brief waarin een betalingstermijn van vier weken werd gesteld.

Ondanks deze aanmaningen werd het griffierecht niet voldaan. De griffier gaf belanghebbende de gelegenheid om te verklaren waarom de betaling uitbleef, maar de aangevoerde redenen waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad vond geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren op 30 juni 2017.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

30 juni 2017
Nr. 17/00930
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 31 januari 2017, nrs. HAA 16/3790 en 16/3791 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 16 november 2016.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft naar aanleiding van de eerste nota griffierecht van 1 maart 2017 verzocht haar ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht één maand uitstel te willen verlenen. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 17 maart 2017 meegedeeld dat het verlenen van uitstel van betaling van het verschuldigde griffierecht niet mogelijk is. Tevens is in die brief vermeld dat zij op of omstreeks 29 maart 2017 een herinneringsbrief ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht zal ontvangen en dat indien het griffierecht niet binnen de daarin gestelde termijn wordt overgemaakt het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 30 maart 2017, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, vervolgens gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 3 mei 2017 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 18 mei 2017 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.