Uitspraak
[X] Ltdte
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 9 november 2016, nr. 16/255 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 juli 2016.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag, betreffende een verzetprocedure. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en een termijn van vier weken gesteld. Deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna een gewone brief werd verzonden naar het opgegeven adres.
Het griffierecht is echter niet voldaan. Vervolgens heeft de griffier nogmaals bij aangetekende brief belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te reageren op de niet-tijdige betaling, maar ook deze brief werd teruggezonden wegens onbestelbaarheid en de reactie van belanghebbende bleef uit.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie derhalve niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is op 7 juli 2017 in het openbaar uitgesproken door raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.