Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 9 december 2016, nr. SGR 16/2434 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 20 september 2016.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk verzocht het griffierecht te voldoen, eerst per aangetekende brief en daarna per gewone brief nadat de aangetekende brieven wegens onbestelbaarheid retour kwamen. Ondanks deze aanmaningen is het griffierecht niet betaald en heeft belanghebbende niet gereageerd op de verzoeken om opheldering.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren op 7 juli 2017.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.