Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Nederlandvan 23 februari 2017, nr. LEE 16/4054 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 november 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is. Uit de beoordeling blijkt dat de klachten die door belanghebbende zijn aangevoerd geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt doordat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad besloten het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren conform artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de raadsheren en de waarnemend griffier, en is op 7 juli 2017 openbaar uitgesproken.
Deze beslissing betekent dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet inhoudelijk heeft behandeld, waardoor de uitspraak van de lagere rechter in stand blijft. Het arrest bevestigt de strenge ontvankelijkheidseisen voor cassatieberoepen in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.