Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
27 juni 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd aangehouden op 21 juni 2011 en de redelijke termijn van berechting werd overschreden doordat het vonnis in eerste aanleg pas op 4 februari 2014 werd uitgesproken. De verdediging voerde aan dat deze overschrijding een verlaging van de straf rechtvaardigde. Het Hof Den Haag week af van dit standpunt zonder de redenen daarvoor te motiveren, wat in strijd is met artikel 359, tweede lid, tweede volzin Sv en leidt tot nietigheid.
De Hoge Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn vaststaat en dat de straf daarom verminderd moet worden met vier maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot rechtsontwikkeling of rechtseenheid.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf en bepaalde dat de straf drie maanden en drie weken bedraagt. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 27 juni 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.