Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
11 juli 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot doodslag nadat hij vanuit een rijdend busje met een semiautomatisch pistool op een woonkamerruit had geschoten. Het cassatieberoep richtte zich tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 november 2015.
Namens de verdachte diende advocaat E.E.W.J. Maessen een schriftuur en aanvullende schriftuur in. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof ongewijzigd. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 11 juli 2017, onder voorzitterschap van vice-president W.A.M. van Schendel en raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of geen kans van slagen.