Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
11 juli 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2012, waarin de aanvrager werd veroordeeld tot 21 jaar gevangenisstraf voor meermalen gepleegde gekwalificeerde doodslag en gekwalificeerde diefstal met geweld binnen het internationale drugscircuit.
De aanvraag tot herziening baseert zich op de stelling dat de bewezenverklaring uitsluitend steunt op belastende verklaringen van een mededader, die via zijn advocaat heeft laten weten dat deze verklaringen onjuist waren en de aanvrager ten onrechte beschuldigde. De mededader zou bereid zijn deze onjuistheden onder ede toe te lichten.
De Hoge Raad oordeelt dat voor een herziening een nieuw, met stukken gestaafd gegeven vereist is dat bij het eerdere onderzoek onbekend was en dat bij bekendheid tot vrijspraak of een minder zware straf had kunnen leiden. Nu de aanvraag geen enkel ondersteunend stuk bevat, wordt deze niet-ontvankelijk verklaard en zijn verzoeken tot nader onderzoek afgewezen.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de kracht van het eerdere arrest en sluit de herzieningsprocedure af zonder inhoudelijke toetsing van het nieuwe betoog.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van onderbouwend bewijs.