Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
11 juli 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak over witwassen van een groot geldbedrag afkomstig uit een misdrijf. Verdachte voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte geen beslissing had genomen op een voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek en dat het hof onrechtmatig bewijs had gebruikt door een zoekslag op internet te maken naar een tapgesprek dat buiten het geding lag.
De Hoge Raad overweegt dat het hof niet verplicht was om op het voorwaardelijk getuigenverzoek te beslissen en dat het maken van een zoekslag op internet geen schending van de procesregels oplevert, ook niet in het kader van bewijsuitsluiting. De middelen van cassatie bieden geen aanleiding tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de beoordeling van bewijs in witwaszaken volgens artikel 420bis.1.b Sr.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.