De zaak betreft een geschil over informatiebeschikkingen opgelegd aan belanghebbende voor de jaren 1999 tot en met 2010, waarbij het hof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaarde en de beschikkingen handhaafde. Belanghebbende stelde na verwijzing door de Hoge Raad nieuwe stellingen over de reikwijdte van de informatiebeschikkingen, met name over de relevantie van de overgelegde jaarstukken.
Het hof oordeelde dat deze nieuwe stellingen buiten het kader van de verwijzingsopdracht vielen en had deze buiten behandeling moeten laten. De Hoge Raad bevestigt dat het hof dit correct heeft gedaan en dat het buiten behandeling laten van deze nieuwe stellingen niet tot cassatie kan leiden omdat het resultaat gelijk is aan het verwerpen ervan.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en stelt belanghebbende een termijn van vier weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Hiermee wordt de rechtseenheid en rechtsontwikkeling gewaarborgd binnen de grenzen van de verwijzingsopdracht.