ECLI:NL:HR:2017:155

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2017
Publicatiedatum
2 februari 2017
Zaaknummer
16/04279
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in bestuursrechtelijke zaak

In deze zaak heeft de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 juni 2016, betreffende het verzet tegen een eerdere uitspraak van 18 januari 2016. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak werd gedaan door raadsheer C. Schaap als voorzitter, samen met raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2017. Hiermee kwam een einde aan de procedure in cassatie zonder inhoudelijke behandeling van de klachten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan cassatiegronden.

Uitspraak

3 februari 2017
Nr. 16/04279
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 30 juni 2016, nr. BRE 15/5768, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 18 januari 2016.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur‑Generaal – het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk verklaren.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2017.