ECLI:NL:HR:2017:158

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2017
Publicatiedatum
2 februari 2017
Zaaknummer
16/04932
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep minderjarigen zonder advocaat

In deze zaak hebben minderjarige verzoeksters een cassatieberoep ingesteld zonder tussenkomst van een advocaat, wat volgens art. 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (RO) niet is toegestaan. De Procureur-Generaal stelde voor het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De verzoeksters reageerden hierop zonder advocaat, waardoor hun reactie niet in behandeling werd genomen.

De Hoge Raad overwoog dat de klachten van de verzoeksters geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat zij klaarblijkelijk onvoldoende belang hebben bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Tevens verduidelijkte de Hoge Raad dat de eerdere uitspraak van 29 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1409) niet betekent dat een minderjarige zonder advocaat een rechtsmiddel kan aanwenden, maar alleen dat een minderjarige dit kan zonder vertegenwoordiging door een wettelijk vertegenwoordiger.

Gelet op deze overwegingen en op grond van art. 80a lid 1 RO verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De beschikking werd op 3 februari 2017 gegeven en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de minderjarige verzoeksters zonder advocaat is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

3 februari 2017
Eerste Kamer
16/04932
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [verzoekster 1] ,
2. [verzoekster 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTERS tot cassatie.
Verzoeksters zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] c.s.

1.Het geding

Bij brief van 2 oktober 2016 hebben [verzoekster] c.s. een verzoek tot cassatie ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoekers in hun cassatieberoep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
[verzoekster] c.s. hebben bij brief van 15 december 2016 op dit standpunt gereageerd. Nu deze brief niet door tussenkomst van een advocaat aan de Hoge Raad is toegestuurd, zal de Hoge Raad daarop geen acht slaan.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-12).
Hierbij verdient opmerking dat de beslissing van HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1409, NJ 2015/293, rov. 3.4.5, derde alinea, niet inhoudt dat een minderjarige bij een verzoek als bedoeld in art. 1:250 BW Pro zonder de wettelijk verplichte rechtsbijstand van een advocaat een rechtsmiddel kan aanwenden, maar uitsluitend dat de minderjarige dit kan zonder vertegenwoordigd te worden door een wettelijk vertegenwoordiger (ouder of voogd)
.
Gelet op het vorenstaande zal de Hoge Raad
gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
3 februari 2017.