Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid
.
–gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.Beslissing
3 februari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak hebben minderjarige verzoeksters een cassatieberoep ingesteld zonder tussenkomst van een advocaat, wat volgens art. 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (RO) niet is toegestaan. De Procureur-Generaal stelde voor het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De verzoeksters reageerden hierop zonder advocaat, waardoor hun reactie niet in behandeling werd genomen.
De Hoge Raad overwoog dat de klachten van de verzoeksters geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat zij klaarblijkelijk onvoldoende belang hebben bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Tevens verduidelijkte de Hoge Raad dat de eerdere uitspraak van 29 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1409) niet betekent dat een minderjarige zonder advocaat een rechtsmiddel kan aanwenden, maar alleen dat een minderjarige dit kan zonder vertegenwoordiging door een wettelijk vertegenwoordiger.
Gelet op deze overwegingen en op grond van art. 80a lid 1 RO verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De beschikking werd op 3 februari 2017 gegeven en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de minderjarige verzoeksters zonder advocaat is niet-ontvankelijk verklaard.