Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 14 februari 2017, nrs. 16/3581 en 16/3582, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 27 september 2016.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland en het verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is. Uit de beoordeling blijkt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk is behandeld en geen verdere rechtsgevolgen heeft.
De uitspraak is gedaan door de raadsheren J. Wortel, Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en is op 11 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gegrondheid.