De zaak betreft betrokkene, een Poolse vrouw van 80 jaar, die sinds april 2016 in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef op grond van een machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling volgens de Wet Bopz. De officier van justitie verzocht om een voorlopige machtiging tot voortzetting van opname, waarbij een geneeskundige verklaring was gevoegd. Betrokkene voerde aan dat tijdens het onderzoek door de psychiater geen tolk aanwezig was, terwijl zij terugviel op haar moedertaal Pools.
De rechtbank verleende de voorlopige machtiging en verwierp het verweer dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke eisen voldeed. De rechtbank oordeelde dat betrokkene de Nederlandse taal voldoende beheerst, mede op basis van een verklaring van een verpleegkundige.
In cassatie klaagde betrokkene dat zij recht had op bijstand van een tolk tijdens het onderzoek. De Hoge Raad overwoog dat noch de Wet Bopz, noch het EVRM een expliciet recht op tolk tijdens het onderzoek voorschrijven. Wel moet de psychiater zorgen dat het onderzoek in een voor betrokkene begrijpelijke taal plaatsvindt, wat onder omstandigheden tolkbijstand kan vereisen. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de rechtbank terecht oordeelde dat geen tolk noodzakelijk was.