Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter zijn namens de betrokkene geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad overweegt dat het niet indienen van middelen binnen de termijn een schending is van de procedurevoorschriften zoals neergelegd in artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de betrokkene niet worden ontvangen in het beroep. De Hoge Raad verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk en wijst het beroep af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.