Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdediging had een verzoek ingediend om bepaalde notities, bonnen en facturen aan het dossier toe te voegen, die relevant waren voor het bewijs omtrent het ten laste gelegde witwassen.
Het hof heeft dit verzoek niet uitdrukkelijk beslist, terwijl de voorwaarde voor het verzoek was vervuld. De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim ex art. 330 Sv Pro jo. art. 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg heeft. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het betreft het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
De zaak betreft contante stortingen en aankopen die vermoedelijk afkomstig zijn uit misdrijf, waarbij de verdachte zich op het standpunt stelde dat de gelden legaal waren verkregen door haar partner. Het hof achtte dit niet aannemelijk en baseerde zich op diverse proces-verbalen en bewijsstukken. De Hoge Raad benadrukt het belang van een uitdrukkelijke beslissing op het verzoek tot toevoeging van stukken, juist om de verdediging een eerlijke kans te geven zich te verweren.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken op 7 februari 2017.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens verzuim van het hof en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.