ECLI:NL:HR:2017:216

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2017
Publicatiedatum
9 februari 2017
Zaaknummer
15/05286
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 2:248 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement

In deze zaak stond de vraag centraal of sprake was van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door bestuurders van een vennootschap die verzekeringen verkocht, terwijl de verzekeraar al geruime tijd geen schades meer uitkeerde. De rechtbank en het gerechtshof oordeelden dat onvoldoende bewijs bestond voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW Pro.

De eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat het faillissement van I.B.A.S. Ede B.V. betrof. De curator in het faillissement voerde verweer en de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de eiser geen aanleiding geven tot cassatie, mede omdat de aangevoerde klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

10 februari 2017
Eerste Kamer
15/05286
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M. Littooij,
t e g e n
mr. Johannes KALISVAART, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van I.B.A.S. Ede B.V.
wonende te Velp, gemeente Rheden,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. R.L. Bakels en mr. M.S. van der Keur.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de curator.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/05/232179/HA ZA 12-523 van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2013, 6 maart 2013 en 31 juli 2013;
b. het arrest in de zaak 200.136.617 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 16 december 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 393,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
10 februari 2017.