In deze zaak stond de geldigheid van een nieuwe pensioenregeling centraal, die door de werkgever was ingevoerd. Eiser stelde dat de werkgever onjuiste informatie had verstrekt over de gevolgen van de overstap naar deze regeling, waardoor sprake was van dwaling. De rechtbank en het gerechtshof hadden de vernietiging van de pensioenregeling bevestigd.
Het geding in cassatie betrof het beroep van eiser tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2016. Verweerder c.s. stelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten voor het geding in feitelijke instanties.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het voorwaardelijk incidentele beroep werd niet behandeld omdat het principale beroep faalde.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde eiser in de kosten van het geding. Hiermee werd de vernietiging van de pensioenregeling bevestigd wegens de onjuiste informatie van de werkgever over de gevolgen van de overstap.