AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank inzake verzet tegen naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en boetebeschikking
Belanghebbende stelde verzet in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een daarbij behorende boetebeschikking over de periode van 19 augustus 2014 tot en met 14 april 2015. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en vervolgens het verzet ongegrond zonder belanghebbende te horen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank had moeten onderzoeken of het vereiste van een behoorlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro, vereiste dat belanghebbende ambtshalve werd gehoord in verband met het verzet tegen de boetebeschikking. De rechtbank heeft dit niet gedaan en heeft ook niet vastgesteld dat belanghebbende afstand had gedaan van het recht om gehoord te worden.
Daarom is de beslissing van de rechtbank om het verzet ongegrond te verklaren zonder belanghebbende te horen onjuist. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak naar de rechtbank Gelderland voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieproces en moet het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling waarbij belanghebbende gehoord moet worden.
Uitspraak
8 september 2017
nr. 17/01242
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X]te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 24 februari 2017, nr. BRE 16/5250, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende de aan belanghebbende over de periode 19 augustus 2014 tot en met 14 april 2015 opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2.Beoordeling van de middelen
2.1.
Belanghebbende heeft bij de Rechtbank beroep ingesteld ter zake van een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking. Bij uitspraak van 25 november 2016 heeft de Rechtbank dat beroep met toepassing van artikel 8:54 AwbPro niet-ontvankelijk verklaard.
De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het tegen de uitspraak van 25 november 2016 gedane verzet ongegrond verklaard zonder belanghebbende te hebben gehoord. Belanghebbende heeft niet verzocht om te worden gehoord omtrent het verzet.
2.2.
Het eerste middel houdt in dat de Rechtbank niet tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende gedane verzet had mogen overgaan zonder hem daarover te horen.
2.3.1.
Blijkens het bij de Rechtbank ingediende beroepschrift ziet het beroep mede op de aan belanghebbende opgelegde boete. Dit brengt mee dat de Rechtbank had dienen te onderzoeken of het vereiste van een behoorlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRMPro aanleiding gaf belanghebbende ambtshalve uit te nodigen om op een zitting te worden gehoord naar aanleiding van diens verzet (zie HR 3 juni 2016, nr. 15/05416, ECLI:NL:HR:2016:1028, BNB 2016/176).
2.3.2.
Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt niet dat zij heeft onderkend dat een boete in geding was, zodat reeds hierom niet kan worden aangenomen dat de Rechtbank het hiervoor in 2.3.1 bedoelde onderzoek heeft verricht bij haar kennelijke beslissing om belanghebbende niet uit te nodigen om op een zitting over het verzet te worden gehoord. Evenmin heeft de Rechtbank in de bestreden uitspraak vastgesteld dat belanghebbende uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om over het verzet te worden gehoord. De kennelijke beslissing van de Rechtbank om belanghebbende niet uit te nodigen om op een zitting over het verzet te worden gehoord, berust derhalve ofwel op een onjuiste rechtsopvatting ofwel behoefde nadere motivering, die ontbreekt. Het eerste middel slaagt in zoverre.
2.4.
Gelet op het hiervoor in 2.3.2 overwogene kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Het tweede middel behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
3.Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Over de kosten van het verzet bij de Rechtbank dient de verwijzingsrechtbank te beslissen.
4.Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
verwijst het geding naar de Rechtbank Gelderland ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.