Belanghebbende exploiteert een stortplaats en diende een aangifte afvalstoffenbelasting in over december 2011, met een negatief bedrag dat werd aangemerkt als een verzoek om teruggaaf. Het Hof verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat het verzoek te laat zou zijn ingediend, namelijk na de uiterste datum vermeld op het aangiftebiljet.
De Hoge Raad oordeelt dat de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) geen termijn voorschrijft waarbinnen het verzoek om teruggaaf moet worden gedaan, noch dat het verzoek bij de aangifte moet worden ingediend. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat het verzoek niet-ontvankelijk was vanwege tijdsoverschrijding en heeft bovendien het overgangsrecht uit het Belastingplan 2012 verkeerd geïnterpreteerd.
De Hoge Raad stelt dat het overgangsrecht enkel bepaalt dat de vermindering bij de aangifte over het laatste tijdvak van 2011 wordt verwerkt, maar niet dat het verzoek om teruggaaf beperkt is tot dat tijdvak. Belanghebbende mocht zich in bezwaar beroepen op het overgangsrecht. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.