ECLI:NL:HR:2017:2272

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2017
Publicatiedatum
7 september 2017
Zaaknummer
16/05678
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake ondertoezichtstelling wegens niet informeren kind over vader

In deze zaak staat de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind centraal, waarbij de moeder het kind nog niet heeft ingelicht over de identiteit van de vader en geen contact heeft gelegd tussen het kind en de vader. De moeder heeft tegen het hof een cassatieberoep ingesteld tegen de bevestiging van deze ondertoezichtstelling.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof Den Haag, waarin de ondertoezichtstelling is bevestigd. De moeder heeft aangevoerd dat een minder ingrijpende maatregel mogelijk zou moeten zijn, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep, waarop de moeder heeft gereageerd. De Hoge Raad stelt dat gezien artikel 81 lid 1 RO Pro geen nadere motivering nodig is omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uiteindelijk wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de ondertoezichtstelling gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ondertoezichtstelling van het kind.

Uitspraak

8 september 2017
Eerste Kamer
16/05678
LZ/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO HAAGLANDEN, locatie Den Haag,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de raad.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/09/499130/JE RK 15-2119 van de rechtbank Den Haag van 30 november 2015;
b. de beschikking in de zaak 200.186.459/01 van het gerechtshof Den Haag van 24 augustus 2016.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raad heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 23 juni 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
8 september 2017.