Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het zesde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
12 september 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de directeur van een Belgische rechtspersoon terecht als feitelijk leidinggever van de invoer en aflevering van in Nederland verboden bestrijdingsmiddelen. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis, en paste deze aan naar een lagere boete en kortere hechtenis, waarbij een deel van de straf voorwaardelijk werd opgelegd.
De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en is van belang voor de toepassing van het redelijke termijnenbeginsel in strafzaken.
Uitkomst: De geldboete en vervangende hechtenis werden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.