Uitspraak
[X] Ltdte
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 8 februari 2017, nr. SGR 16/6673 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 10 november 2016.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna de kennisgeving per gewone brief naar het opgegeven adres is verzonden. Het griffierecht is echter niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw bij aangetekende brief verzocht om opgave van redenen waarom het griffierecht niet is betaald. Ook deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden en opnieuw per gewone brief verzonden. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
De uitspraak is gedaan door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.