Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 3 april 2017, nr. AWB 16/2120, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank betreffende een verzoek om proceskostenvergoeding.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland over verzet tegen een beslissing inzake proceskostenvergoeding. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad baseert zijn oordeel op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal. Gezien deze omstandigheden verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de vice-president Overgaauw als voorzitter, samen met raadsheren van Loon en van Hilten, en is op 22 september 2017 in het openbaar uitgesproken. De zaak betreft bestuursrecht en belastingrecht, waarbij het cassatieberoep betrekking heeft op de ontvankelijkheid en proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiegronden.