Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1990, stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 juli 2016 in een strafzaak betreffende bedreiging, gekwalificeerde diefstal en mishandeling. De advocaat van verdachte diende middelen van cassatie in, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof had nagelaten duidelijk te maken welk bewijs de verklaringen van getuige A ondersteunde en waarom het geen waarde hechtte aan de ontlastende verklaring van getuige B. Desondanks leidde dit niet tot cassatie, omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
Het beroep werd derhalve verworpen, waarbij de Hoge Raad het arrest van het hof bevestigde. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel, met raadsheren Buruma en Van den Brink, op 26 september 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.